Bennie Bartels
De vrouwen en de mannen zijn weg. Ze hebben het hotel leeg achtergelaten. Niet dat het anders kent, leeg is voor dit voormalige kuuroord een constante. De lagen kelders met oude baden en kuurvertrekken absorberen de onrust van boven. 's Nachts baden de salons in elegante overpeinzing, rusten de keuken en de stube uit en schommelen de bovenverdiepingen langzaam op de ademhaling der gasten met hier en daar een ronkende trilling of een wat onstuimiger samenkomen. Overdag ziet het zijn ruimtes bewogen, het meubilair verschoven en stemmen en geluiden tot een cresendo komende tijdens de eetmaaltijd. Daarna ebt al die beweging weg, het gebouw ziet ze verdwijnen in passen, bospaden, langs stroompjes en bergweiden of in bussen opgehaald voor een dagtocht. Buiten laten de zwaluwen dan de wind zachtjes om z'n muren dansen, zacht strelend alsof ze meelij hebben met z'n grote stenen immobiliteit. Maar van een ver bergpad omkijkend is het met zijn torens weer een lief schepsel temidden van grote alpenbrei, deze imposante steenderij. 'Dit grote afbraakgebeuren' zoals een aardrijkskunde man zei, alles constant in beweging, instortend, omvallend, uitschurend en verzakkend. De ieder jaar wederkerende sneeuwvracht die het op z'n schouders draagt en die het gedurende het late voorjaar en zomer weer van zich af probeert te schudden in de vorm van gletsjers en lawines en van miljoenen stroompjes naar beekjes tot het weer rivieren en meren zijn. Temidden van dit alles houdt het hotel stand, is het een kleurrijk persoon, het bewustzijn van deze omgeving.
Een man haalt een geweer uit z'n tas, hij richt en schiet. De eerste dag kwam ik hier aan zoals ik het hotel deze ochtend na eenieders vertrek aantref. Een groot leeg lichaam en ik wandel luisterend door z'n holle organen. Die ochtend van die dag van aankomst was ik om 06.00 uur vertrokken uit een hectisch en chaotisch London. Het meisje sliep nog en ik sloot zachtjes de deur. Ik doorkruiste het monster van noord-west naar zuid-oost, twee uur in de spits met in stress resulterende vertragingen. Om 11.00 landde ik in Zurich waar het leven al een stuk geregelder bleek. Treinen die treintjes werden die bussen en toen busjes werden brachten me steeds dieper in de Zwitserse bush, voorzover dat woord hier ooit gekent is want het land lijkt gekapt en gecoiffeurd geboren. Om 16.00 uur restte me nog een flinke wandeling met rollend vliegtuigkoffer dat me uiteindelijk over een 6 km lang zandpad door bos een steeds duister wordende pas inloodste. Ik voelde me een verdwaasde moderniteit en rolde mijn wieltjes steeds verder vast in een groter wordend niets, niet wetende waar ik heengeleid werd en waar de eindhalte te verwachten. De zon scheen goddelijk en dat maakte veel goed. Ik voelde me als het omgekeerde van een man met een jachtgeweer op zoek naar wild verdwaalt ergens tussen hal A en G op Schiphol. Ik had een reis gemaakt over 7 wereldzeeën en stilstaand om me heenkijkend verbaasde ik me er weer over dat dit majesteitelijke in wit bont gehulde hier altijd onbeweeglijk ligt te wezen, ook als ik hier niet ben. Of is het dat ze toch stiekeum de benen lichten en zich wat uitgevlakt als Schotse hoogvlakten uitvleien als ik daar aangekomen ben of zich omgekeerd in zeeën kiepen om daar spelonken en grotten te vormen waar ik al snorkelend in afdaal. Mijn eerste gedacht bij aankomst in die 200 gasten herbergende leegte was aan een Noors fjord hotel. Samen met 5 Argentijnse meastros zou ik daar lesgeven aan een vijftigtal gasten waarvan er uiteindelijk 2 kwamen opdagen. Het was te absurd voor woorden daar in die verlate Noorse woestenij in dat statige oude withouten en robuust gebouwde hotel temidden van de voor alle vijftig gasten vol gedekte tafels hebben we met z'n achten de week vol gemaakt. De eigenaar verscheen zelden, gaf ons de sleutels en wees ons de weg naar voorraad en wijnkasten. Het leek een Noors toneelstuk te worden van Ibsen of een Agathe Christie de acht negertjes, want bij elk ontbijt in die groots gedekte eetzaal vroegen we ons af of er die ochtend 42 ontbijtbordjes onbemand zouden blijven of 43. Ik acht dit hotel hier diep vescholen in een pas in de verre buitenwijken van de Zwitserse alpen, er niet minder toe in staat om een spookachtig verhaal te vertellen. De drie kelderverdiepingen en twee zolderverdiepingen zijn voor ons niet toegangkelijk, en als muren konden praten... We weten wat de naaste buren Oostenrijkers soms wel 20 jaar in hun kelders schuil en verborgen houden. En dat er hier op een avond een uiterst lieflijk en vermakelijk filmpje wordt vertoond met daaromheen een saai verhaaltje wil in het geheel niets zeggen. Dit hotel is geschapen voor het weerwolf en Frankenstein genre en dat de Italiaanse Benito Mussolini hier nog eigenhandig aan meegebouwd heeft naar zeggen, past al evenzeer in dat plaatje.
Net naast me stort een reebok neer. Hij schrikt net zo hard als ik dat doe. Z'n bevallige nek staat in de grond geboord met een fysiek onmogelijke hoek, z'n witte kontje naar de hemel gericht staart me aan. Even denk ik de rode bloeddruppeltjes te zien opborrelen en ik kijk om richting geweer. Dan plots is ie weg, rollend en buitelend en pas 100 meter verder in de afdaling heeft ie zich in z'n geheel opgericht. In de grote houten serre staat tango muziek op. Geheel rondom in glas gehuld maakt het alsof we drijven temidden van dit gebergte. Het is hier dat we onze dagen verdansen. Geen wit omhoogstekende kontjes (ik zou wel willen) wel hier en daar een wat geknakte nek en vaak is men ook hoog op de pootjes. We proberen ons elke dag opnieuw op te richten zonder verschrikt het tangodal in te struikelen. Overdag klauteren we hellingen op, alleen of en groupe maar deze verstrengeling van twee vereist een hogere klasse van organisatie. 1plus 1 is hier geen 2 maar drie en wat 3 zou worden wist ook deze dwaze ziel met dat valies op wielen over dat hele lange bospad achter zich aanzeulend niet. Ik vraag me af waar zij hun drie ontmoeten of wat hun verwachting ervan is. Carla en ik zetten paadjes uit en hun maar klimmen en klauteren. Aan het einde van deze week zij de bergen weer verdwenen en dient het vlakke land zich weer aan. Doch eenmaal hier geweest weten ze dat ze er nog liggen en kunnen we ze weer opzoeken en verder klauteren.
Tango hier in dit oord, vreemd of passend denk ik. Nou geloof maar dat er heel wat lijken in de tangokelders en kasten liggen, het macabere is haar niet vreemd. Argentinië, de dictatuur, de geweldadige Spanjaard, de uitgemoorde lokele bevolking, de pokdalige arme emigrantdie enkel voor zijn dromen de laatste stuiver verkwanselde en eenmaal aangekomen alleen nog maar van heel ver weg terug kom kijken. Denkend en verlangend naar (t)huis, naar vaderland en moederaarde, die verder moest maar enkel terug wilde, die zijn lijf vooruitsleepte maar z'n ziel zo lang mogelijk deed rusten op achtergelaten passen. Niks niet romantisch, passie en gezellig samenzijn, hij klampte zich vast aan dat andere lijf, niet worstelend hoe overeind te blijven of samen voort te gaan, dit was de enige manier “om” overeind te blijven, zich voort te bewegen, niet de grond zoekende maar zich telkens weer oprichtend om niet in z'n door dwaze dromen ingegeven pad weg te zinken. Op die kelders van tangoverleden, vele lagen diep bouwen wij hier nu ons vertier.
Ik schrik wakker van een stem, hoor viervoeters op me afkomen en mijn fantasie ziet hele hordes reebokken over m'n slapende lijf heen denderen. Plots besef ik weer in de bergen te zijn en op een helling te liggen. Ik was geheel en al thuis en in een reis van nog geen seconde dumpt m'n bewustzijn me 1500 km verderop. Twee kwijlende honden staan over me heengebogen en ik schiet overeind. Gaat oprichten dan zo makkelijk denk ik, kan dynamiek zo'n vlucht nemen. Weet je fantasie gekopppeld aan verlangen en dromen je in luttele seconden werelddelen te verplaatsen en kan de plotse verstilling (of is het verstijving) je hart zo in de keel doen kloppen. Ineens besef ik dat drie minuten van tangolied wel genoeg is voor zo een reislustig program en dat ik blij ben dat die ander meereist, het wakker worden is dan iets minder schrikken.
We starten zaterdagavond. De groep is kleiner dan we gewend zijn maar diverser dan ooit, qua afkomst, leeftijd, ervaring en karakter. Soms vraag je jezelf af hoe je zoiets aan elkaar gaat breien en ik vraag het die les aan Carla. We beginnen met ons geplande program maar al na 10 minuten voert mijn niet geheel aanwezige geest me een zijpad op waar Carla me kwijtraakt. Ze roept nog enkele keren maar blijkbaar zonder gehoor. Ik woon tegenwoordig in London en wij moeten ook weer even wennen en strubbelingen met mijn lief maken dat ik m'n geest vernauwde om niet in elke rotsformatie haar beeltenis te hoeven zien. Iedereen is volgzaam en gaat me op m'n pad achterna en uiteindelijk na anderhalf uur tekent er zich toch zoiets als een les af. M'n onderbewuste zei me dat ons geplande pad nog teveel sneeuw droeg. De lente kwam ook laat dit jaar. Maar uiteindelijk vliegt de week, beginnen we ons het landschap eigen te maken en alle paden leidden terug naar eenzelfde thuis. We eten samen, dansen samen, klauteren samen en elke avond zijn we de laatste gasten die het bed opzoeken. Het gebouw houdt van ons omdat we z'n binnenste zo doen verlevendigen. En als na een Feldenkraisles zijn we aan het einde van de week toch allemaal meer hetzelfde, gelijkgestemden geworden in de dans en tegelijkertijd idiosyncratischer. Of zoals onze brabantse huisfilosoof die we hier ontmoeten zo mooi weet te zeggen, 'we zijn allemaal bijzonder, jij en zij en ik, elke berg, elke boom en elk grassprietje is uniek, evenals de mier die ertussen loopt uniek is.' Uniek zijn zegt hij met veel gebaar is het meest ordinaire wat er is. En het volgende moment veert ie de vloer op en verlevendigd z'n woorden met veel gebaar en robuust bewegen. Een enkeling vraagt zich af wat de middelen zijn die hij gebruikt, maar hij is een man het pad voorbij, hij stort zich gelijk de stijle helling af en vertrouwd totaal dat alles op z'n pootjes terecht zal komen. Het is de rauwe wildheid van de natuur, hier boven in de bergen die zich weet te ontrekken aan de zwitserse aangeveegdheid. En ook hij draagt ertoe bij dat we de tango wat vrijer en exotischer durven te ervaren en de laatste avond eindigd uiteindelijk in een dansgelag. We dansen, dronken dansen, vallende dansen, vreugde dansen, beginnersdansen, gecompliceerde dansen, sensuele dansen, klikkende dansen en hopeloze dansen, volgende dansen en elegante dansen, trage en stommelende dansen, we draaien, we zwieren, we dromen en vergeten. We worden wakker en weer nuchter en beseffen elkaar te ondersteunen. We hebben wat meer van elkaars verhalen geproefd, de lijken in elkaars kelders en kasten vermoed, gemerkt het is niet allen passie en vertier. We helpen de ander zich op te richten, gedeeltelijk ook uit pure noodzaak. Het paar bescherming zoekend in de omarming om niet enkel uitgeleverd te ijn aan de grootse buitenwereld.
Val Sinestra, april 2009