Wat moet je schrijven zonder een pen, of meer hoe? En waar een pen vandaan gehaald met gesloten winkels? En dan een winkel gevonden maar zonder het bezit van een portemonnaie (mooi frans woord)? Ongeveer in die volgorde ging het.
Heb me buiten de wereld van ons hotel gewaagd. “Le Belvédère” is waar we vertoeven, een groot oud gebouw, eindstation van de buslijn komende uit Biaritz, dwars door de Pyreneën. Tegelijk bivindt zich hier het wisselstation voor de treinen die onderlangs voorbij komen. We zitten op de grens van Frankrijk en Spanje waar de verschillende spoorbreedtes golden. Verder een kronkelweg die zich omhoog werkt vanaf het strand en zee, het centrum van dit plaatsje naar de grens in de achterliggende heuvels, 4 km verder.
Het gebouw stamt uit rond 1930, geheel uit beton in Art-Nouveau stijl opgetrokken. Onderin een gigantische garage voor de bussen, daarbovenop de kamers en ruimtes voor het personeel, opslag, dan de etage met de Grande Salon, een bioscoop, herenkamer, foyer, ooit een casino en de keuken, daar weerboven de kamers en residenties voor de beter gesitueerde gasten, alles omringd door groots aaneengesloten balkons uitkijkend over het wijdse blauw van de mediterranne. En op het dak werd getennist en hing de was te drogen en overzag en de wijdse omgeving.
Het heeft iets van Buenos Aires, al na de voltooiing zorgde de Spaanse oorlog met Franco voor verminderd reisverkeer en in de Tweede Wereldoorlog namen de Duitsers er hun intrek en beroofden het van een prachtig interieur. Sindsdien zorgt het in de beton gebruikte zeezand met z'n zouten voor uitzetten en inkrimpen, de boel is gaan barsten en stort minitieus langzaam in. Stukken balkons zijn afgesloten, het gebouw is onderhevig aan een constante verpulvering en stof en gisteren stortte de helft van een plafond naar beneden op een van onze slaapkamers en zijn de bewoners met bed en al naar de keuken verhuisd.
Het is Cuba anno 2008 en dan gewoon in West-Europa. De gezonde Hollandse ondernemingsgeest gaat hier meteen aan het werk heeft oplossingen en financieringen bedacht voor het eerherstel, anderen genieten er misschien gewoon van dat dit überhaupt nog bestaat, dat niet alles in deze wereld onderhouden en behouden hoeft te worden om er toch in te kunnen wonen, leven en van te genieten. En ik merk op dat het stiekem kanten in ons boven brengt die geen enkel onderhouden, af en opgeknapt gebouw zou kunnen opwekken. Ik zie maar al te goed dat we verval evenzo nodig hebben, het oude instortende, niet opgeknapte als het nieuwe, frisse, schone, de zogeheten staat die een huis, onderkomen, bezigheid en misschien ook mens dient te hebben.
Ik merk aan mezelf en aan anderen hier dat het ons zachter en ontvankelijker maakt als we de eerste ergernis laten varen, het richt ons meer op elkaar dan op het gebouw of de activiteiten die voortdurend onderhoud vragen. Het is of het gebouw soms ook een beetje mens wordt, meebeweegt (soms letterlijk) ademt en leeftijd toont. Of onze menselijke ziel zich hier mag reflecteren, meten met het onaffe, imperfecte. De charme naast het muffe, de levendige activiteiten naast de instortingen. Gericht op waar huizen oorspronkelijk voor stonden, een dak om ons samenzijn een bescherming aan te geven en niet dat het huis zelf voortdurend al onze activiteiten naar zich toetrekt en ons samenzijn erin doet verdampen.
De eigenaars wonen in Perpignan alwaar ze een restaurant beheren en dit is hun erfenis, een blok aan hun been of een aardig vertier zolang als het duurt, ik weet het niet. Het gaat hier zoals vele dingen in het zuiden, ze zijn open als ze daar voor voelen, soms een hotel en verhuren ze kamers voor de nacht, soms een residentie voor maanden en hier en daar komen we een verdwaalde gast tegen die nooit meer is vertrokken en hier getolereerd wordt, zich hier gedienstig maakt met de de afwas of de vloer aanvegen of voor het broodnodige contact, samen een ochtend koffie of elf het eerste glas wijn, met mevrouw Jacqui, de concierge hier zoveel als.
Ze heeft een paar kamers betrokken en probeert al jonglerend instortingen, stoflawines of ondergelopen vloeren, van slagregens die door de sponningen van ramen en deuren rechtstreeks het gebouw in stromen, de baas te blijven. Al zonder bezoekers een hele klus, het gebouw als een oude heer of dame wiens ondergoed tijdig verschoont dient te worden, behoed voor valpartijen, eten gevoerd en weer teruggedwaald daar waar verdwaald.
Niet gek dat er soms een “we zijn geen hotel” sfeer rond het pand hangt en dat elke willekeurige toerist niet eens op het idee komt om hier aan te bellen. Geen wonder ook dat onze invasie van 22 Hollandse tangodansenden ze de eerste dag de stuipen op het lijf jaagt en het stressniveau over z'n grenzen schiet. Dat de permanent geworden onzichtbare gast roept, “pas de Bordel, pas de bordel, ici”.
Maar als de dagen zich doen opvolgen komen er steeds meer fleurige kleding en urken uit de kast, klaart het gemoed, en tekent er zich een trots af. We krijgen een rondleiding met opgesmuckte en levendige verhalen, doen wij het gebouw weer leven met onze muziek, gedans, eten en drinken. Onze gesprekken vullen de ingeslapen ruimtes, nieuwe geuren vinden hun weg tussen de muffige muren, het lachen weergalmt in de ruimtes en het gebouw kijkt opnieuw en nu met onze ogen uit z'n ramen, en opnieuw ziet het die wijds blauwe mediterrane zee liggend aan d'r voeten, een van z'n redenen ooit om hier neer te strijken.
De eigenaren uit Perpignan reizen elke middag en avond hier naartoe om ons een uitgebreid en heerlijk warm maal voor te zetten, naast het voor ons zo karige Franse ontbijt, is dit overvloed voor onze magen en de hoeveelheid wijnkaraffen overstijgt die van water glorieus.
We zijn een wereld op onszelf, zonder geld, we halen en brengen dans, zetten de ruimtes in beweging, een betere ventilatie ondenkbaar voor dit in d'r eigen onbeweeglijkheid vastgekluisterde wezen. Misschien is dat wel een reden om z'n muren te laten barsten, de plafonds los te laten, de balkons los te laten en de slagregens toe te laten door z'n vensters. Hebben zelfs niet ook gebouwen die intense behoefte bewogen te worden, aangeraakt, hun sensoren bespeeld, dat dit hun laatste toevlucht is om het leven binnen te laten, zichzelf te doen voelen.
Het eten wordt ons drie maal daags opgediend, sociaal verkeer vindt z'n eigen weg, de bedden en badkamers een trap verder het uitzicht door de ramen. Onze zinnen prikkelen we met elkaar en het lijf vindt z'n uitweg in de arbeid van de dans. De wereld hebben we hier binnen gedragen en als we dan zo af en toe naar buiten treden zoals ik nu, ben ik vergeten dat we daar niet alles delen, al betaald hebben, een overeenkomst gesloten. Dat de portemonnaie een attribuut is in deze wereld die een functie vervult, het bij elkaar houden van stukken ruilmiddel.
De middag en de ochtend zijn vrij vandaag en de zon schijnt. De hemel zo blauw als de zee in deze nog vroege herfstdagen. De bladeren vallen maar aan de kledij is nog weinig te merken dat de winter de volgende halte is. Mannen, ja allen mannen liggend in de middagen op banken of zijn al zittend scheefgezakt in een ontboezeming van het lichaam dat zich overgeeft aan de rust, de gesloten ogen, de loomheid van de zwaartekracht.
Bennie Bartels, oktober 2008